Project omschrijving

Dag 4 – Een vrouw met zeven mannen

Lukas 20:27 – 40: “De Heer is de God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jakob …”

Er komt opnieuw een groep mensen naar Jezus die hem proberen te vangen. Een aantal Sadduceeën – een sekte die niet in leven na de dood geloofde – stelt een vraag over leven na de dood. Het is een hypothetisch geval: er zijn zeven broers, deze sterven allen zonder bij de weduwe een kind achter te laten. Zij wordt van de een naar de ander doorgeschoven. Van wie is de vrouw na de opstanding van de doden?

God had ooit de regel ingesteld dat een vrouw niet uit de familie gestoten mocht worden als haar man stierf en zij geen kinderen had gekregen die voor haar konden zorgen. Als er een broer aanwezig was, moest hij zorgen voor nageslacht. Daardoor zou de naam van de overleden broer niet uitsterven én werd geborgd dat de vrouw verzorgd was (Deuteronomium 25:5). In die tijd had een vrouw nauwelijks rechten en zeker geen mogelijkheden om voor zichzelf te zorgen. Eigenlijk kon zij alleen door prostitutie in haar eigen onderhoud voorzien. Het is niet voor niets de oproep van God door de hele Bijbel heen om altijd voor de weduwen en de wezen te zorgen! Maar waar God omziet in liefde naar de weduwe, zien we dat de mens een theologisch dispuut maakt.

Jezus weerlegt ook deze vraag scherp. Hij laat zien dat waar de mens een probleem ziet, er helemaal geen probleem bij God is. God is een God van de levenden en niet van de doden. Hij is én de God van Abraham én de God van Izaäk én de God van Jakob. En dat allemaal tegelijkertijd. En na de dood? Och, het gaat er dan helemaal niet meer om of we wel of niet getrouwd zijn en met wie, we hebben wel mooiere dingen om aan te denken. Onze focus is dan op Gód!

Sommige schriftgeleerden zijn onder de indruk – misschien wel omdat ze het zelf niet hadden kunnen bedenken …

Om over na te denken:

God geeft regels en verordeningen met goede bedoelingen. De mens maakt er vaak een theologische, liefdeloze discussie van. Ken je nog meer voorbeelden waarmee dit gebeurt? Wat doet dat met je? Wat leer van de manier waarop Jezus hiermee omgaat?