Het is door alle klimaatzorgen (opwarming, water teveel of tekort en stikstofgedoe) bijna ingewikkeld geworden om gewoon eens even naar de natuur te kijken. Zonder die zorgen.
En ja, de natuur loopt in onze contreien nu ongeveer een maand vóór. Maar even los daarvan: wat is het mooi. Mooi gemaakt, mooi gegroeid, mooi in de knop.

We zongen onlangs in de kerk een lied van Mattijn Buwalda: ‘Zo groot bent U’. En ik werd gegrepen door de laatste zin:

Al eeuwen lang tot aan het nu,
zingt de natuur: Hoe groot bent U.

Twee liefdes in één zin bezongen: mijn liefde voor God en die voor de natuur.
Voor mij hebben ze veel met elkaar te maken. Die Ene is de schepper van het andere. Dat wat groeit en bloeit inclusief ons als mensen. As we speak, om het even in goed Nederlands te zeggen, staan de knoppen van onze pruimenboom op springen, heb ik al twee hommels zien vliegen en bloeit de sering bijna. En dat voelt als thuiskomen, elk jaar weer. Wat is het toch bijzonder dat er uit een harde houten tak, dood op het oog, een prachtig sappig groen blad kan groeien of een uitbundig roze bloesem. En dat ik dat hier op kan schrijven (tikken) waarbij mijn hersenen samenwerken met mijn ogen en handen.

Ik hou van alle jaargetijden, ze geven het leven een ritme. Maar misschien laat de lente wel het meest zien hoe groot God is, hoe prachtig Hij alles gemaakt heeft. Laat de natuur maar zingen.
Nog een paar weken en ik kan zonder jas, op de fiets, meezingen.